Van goed naar beter onderwijs: enkele overwegingen

Ter voorbereiding op een gesprek over de verdere verbetering van het onderwijs van goed naar beter, moest ik denken aan een marathonloper die goed is, maar zich verder wil verbeteren. Om een marathon te lopen, kun je volstaan met het kopen van een paar hardloopschoenen en te beginnen met rennen. Je doet na wat andere lopers doen en de eerste resultaten zijn zichtbaar. Geleidelijk zal er ook sprake zijn van verbetering. Als je dan een goede marathonloper bent en je wilt je verder verbeteren, werkt puur overnemen niet meer. Het wordt het een kwestie van fine tuning, waarbij wat goed is voor een ander niet goed hoeft te zijn voor jou. Je probeert eens of een andere loophouding voor jou tot betere resultaten leidt. Je kijkt eens of krachttraining andere effecten heeft dan stretching. Je let meer op je voeding en je drank en weegt af of je beter een boterham met kaas of een bord met pasta kan eten voor een training of race. Bij alle keuzes die je maakt, is het verstandig na te denken welke gevolgen dit kan hebben op je loopprestaties. Ook wil je die gevolgen kunnen meten. Je koopt een horloge met hartslagmeter en houdt tijdens het lopen bij hoe het met je hartslag zit, hoe hard je gemiddeld loopt, et cetera. Je bekijkt of deze indicatoren anders zijn naarmate je andere keuzes maakt of onder andere omstandigheden loopt.

Dit is wat mij betreft ook het geval bij de verbetering van goed onderwijs naar beter onderwijs. Het gaat om het finetunen. Dat is heel lastig. Welke keuzes kunnen er gemaakt worden? Belangrijk is dat er goed nagedacht wordt welke gevolgen bepaalde keuzes kunnen hebben, mogelijk ook verschillende gevolgen voor verschillende groepen. Welke externaliteiten kunnen er optreden? Het vereist in feite een meer economische manier van kijken naar onderwijsverbetering. In gesprekken over verbetering van het onderwijs wordt bijvoorbeeld vaak gezegd dat leraren allemaal een master diploma moeten gaan halen. Dat klinkt in eerste instantie misschien logisch. Meer opleiding is meer weten is een betere leraar. Een mogelijke vraag die ik mezelf dan stel is of mensen die potentieel goede leraren zijn dan nog voor de lerarenopleiding kiezen. Want als je een master opleiding moet gaan doen, ontstaan er nieuwe keuzemogelijkheden. Wellicht zijn er andere beroepen waarin meer te verdienen is met een master diploma? En hoe zit het met intrinsiek gemotiveerde leraren die geen master diploma halen? Dit nog even los van de vraag of een master diploma tot een verbetering van het onderwijs gaat leiden.

Om een antwoord te krijgen op dergelijke vragen, is informatie nodig over wie er nu leraar werd (zonder mastereis), wie er na de beleidsverandering leraar wordt, en hoe de prestaties zijn van deze leraren in het onderwijs, rekening houdend met de verschillende groepen leerlingen aan wie ze les geven, de condities onder welke ze lesgeven, etcetera. Dat geldt ook meer in het algemeen. Om een goed beeld te krijgen van de effecten van finetuning in het onderwijs is het nuttig om op een systematische manier gegevens te verzamelen over het onderwijs, in brede zin. Dat wil zeggen zowel leerprestaties als sociale vaardigheden van leerlingen, resultaten van leraren, maar ook achtergrondkenmerken van leerlingen, leraren en scholen. Op die manier kunnen effecten worden bekeken van maatregelen voor verdere verbetering van het onderwijs.

Het interpreteren van de informatie die wordt verzameld over het onderwijs is bovendien het meest effectief als dit in interactie gebeurt tussen onderzoekers en mensen uit de onderwijspraktijk en beleid. Net zoals de marathonloper er goed aan doet zijn metingen te overleggen met een trainer. De loper weet wat hij voelt en de trainer heeft kennis van looptechniek. Door deze informatie naast elkaar te leggen, kan er veel geleerd worden over wat werkt om een betere marathonloper te worden. Zo ook in het onderwijs. Mensen uit het onderwijsveld hebben kennis van de praktijk en de onderzoeker kan nagaan of gevonden relaties ook echt door de genomen maatregel kunnen komen of mogelijk aan andere factoren toe te wijzen zijn.

In gesprekken over verbetering van het onderwijs zie je ook vaak dat scholen of landen met elkaar worden vergeleken en gekeken wordt wie er beter is. Ik vind zelf het vergelijken om te zien wie de beste is, niet zo zinvol als het gaat om onderwijs, maar ik vind het wel zinvol om van elkaar te leren. Ik heb ook wel eens voor een marathon getraind en in de training ging het mij niet om wie van ons groepje het snelste kon lopen maar ik vroeg wel aan mijn loopmaatjes, die net iets soepeler leken te lopen, wat ze aten en dronken om te zien of ik daarmee beter zou kunnen worden. Voor scholen met dezelfde achtergrondkenmerken die toch verschillende niveaus van goed onderwijs bieden, is het interessant te kijken waar deze verschillen in zitten. Wat doet de ene school dat de andere school niet doet? Opnieuw is het daarbij belangrijk om ook te kijken naar de bredere context. Niet alleen focus op de leerlingen, methode en de leraren maar bijvoorbeeld ook kijken naar de gebouwen, of mogelijke nevenactiviteiten van leerlingen die de leerprestaties kunnen beïnvloeden. Goed voor ogen houden dat wat onder bepaalde omstandigheden werkt, onder andere omstandigheden niet hoeft te werken.

Een laatste aspect bij de verbetering van het onderwijs waar ik aan moest denken is de beoordeling van de kwaliteit. Wat bepaalt of het goed onderwijs is? In ons land wordt gebruik gemaakt van indicatoren door  de inspectie van het onderwijs om de kwaliteit van het onderwijs te bepalen. Dat is best ingewikkeld. Aan de ene kant heb je indicatoren nodig om een oordeel te kunnen vellen, aan de andere kant kan het gebruik van een dergelijke indicator leiden tot strategisch gedrag. In geval van ongewenst strategisch gedrag kan het lijken alsof er sprake is van een verbetering van het onderwijs maar die hoeft er in de werkelijkheid niet te zijn. Ook voor de marathon, waarbij de beoordeling doorgaans plaatsvindt op basis van de gelopen tijd, kan er ongewenst strategisch gedrag gaan ontstaan door bijvoorbeeld middelengebruik. Ben je dan echt een betere marathonloper? Door een bredere set van indicatoren te gebruiken kan het risico op ongewenst strategisch gedrag worden verkleind, echter dit vergt ook meer inspanning en het is ook lastig te kiezen welke indicatoren dan de meest geschikte zijn. Ook iets om verder over na te denken.

Categorieën:Onderwijsonderzoek

Tagged as: