Curriculum voor de toekomst

Toekomstbestendigheid is een van de speerpunten van het huidige onderwijsbeleid. Maar wat is dat precies, toekomstbestendig onderwijs? Moeten we kinderen leren programmeren, drones besturen of draait het meer om basisvaardigheden, burgerschap en kennis van de wereld?

In februari 2015 is het platform2032 opgezet om hierover na te denken en in dialoog te gaan met het onderwijsveld, maar ook met andere stakeholders zoals het bedrijfsleven. In oktober presenteerden ze hun voorlopig advies. In dit advies staat onder andere dat het leerlingen leren creatief en nieuwsgierig te zijn, dat ze leren de kansen van de digitale wereld te benutten, dat ze voldoende maatschappelijke en sociale vaardigheden ontwikkelen, dat er meer ruimte komt voor Engels – ook in het basisonderwijs – en dat leerlingen voldoende kennis van de wereld krijgen door diepgravender onderwijs in minder vakken.

Een interessante vraag is hoe leerlingen zelf denken over hun curriculum. Roxanne Korthals vroeg een aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs naar hun ideale schoolrooster. Ongeveer eenvijfde van de leerlingen wil meer Engels en een kleine zestig procent wil minder Duits op school. Het zijn dan met name havisten die in het 2e of 3e leerjaar zitten die meer Engels willen, terwijl de brugklassers havo en vwo vaker aangeven minder Engels te willen. Ook laat de enqûete zien dat leerlingen die meer talen willen, hiervoor vooral creatieve vakken (tekenen, handvaardigheid, CKV, drama en muziek) willen inleveren. Dit geldt ook andersom: Leerlingen die meer creatieve vakken willen, willen hiervoor juist uren taalonderwijs inruilen.

Eerder al gaven Lex Borghans en ik in een artikel in Economisch Statstische Berichten aan dat de keuze voor een nieuw curriculum zich goed leent voor een analyse vanuit een economisch perspectief. In licht van de discussie over onderwijs2032 lichten we enkele van onze argumenten uit dit artikel eruit. Om het rendement van onderwijs te vergroten hoeft men echter niet alleen te kijken naar de verhouding tussen kosten en opbrengsten, maar kunnen ook de vakken die worden gegeven onder de loep worden genomen, in de breedste zin van het woord: qua aanbod, timing, en het hoe. Ook dat is een economische vraag. Als iedere week dertig lesuren telt, is de uitdaging om per jaar voor deze dertig uren een invulling te kiezen. Een uur meer Engels betekent dan bijvoorbeeld een uur minder geschiedenis. De inhoud van het onderwijs is dus ook een schaarstevraagstuk.

Het ideale curriculum is een opbouw van vakken over de jaren waarbij de opbrengsten worden gemaximaliseerd. Uiteraard kennen we deze optimale oplossing niet. In de praktijk weten we heel weinig over hoe extra tijdsbestedingen in een bepaald vak leiden tot een vergroting van de kennis en vaardigheden op dat terrein en in welke mate deze kennis en vaardigheden weer bijdragen aan het vergaren van andere kennis en vaardigheden. Er zal in algemene zin wel consensus bestaan, maar welke inzichten over hoe de wereld werkt het belangrijkste zijn om te leren, hoe waardevol extra taalvaardigheid is in vergelijking met rekenvaardigheid, en dergelijke, daar is geen duidelijk beeld van. We proberen dus eigenlijk het onderwijs te verbeteren zonder dat we weten wat we onder goed onderwijs verstaan. Wat optimaal is, zal overigens ook nog veranderen over de tijd door ontwikkelingen in de samenleving. Dus als er eenmaal een definitie van een optimum zou zijn, hoeft dit niet voor de  eeuwigheid te gelden.

De kans dat zowel het huidige als een nieuw curriculum dicht in de buurt van het optimum komt, is daarom vrij klein. Dat wordt ook geïllustreerd door het feit dat qua omstandigheden vrij vergelijkbare landen sterk verschillende invullingen voor hun curriculum kunnen hebben. Traditie is waarschijnlijk sterk bepalend voor de invulling. Het lijkt dus voorlopig een illusie om dit complexe optimaliseringprobeem volledig op te lossen. Het is een wetenschappelijke uitdaging om methodes te ontwikkelen die kleine stappen in deze richting zetten. Om in ieder geval causale verbanden te kunnen vinden, zal het nodig zijn om systematisch te gaan experimenteren met (kleine) aanpassingen in het curriculum en leerlingen gedurende lange tijd te volgen om de effecten in kaart te brengen.

Het zal overigens ook niet eenvoudig zijn om een nieuw curriculum te implementeren. Stel dat we inderdaad besluiten dat het optimaal is om minder uren aardrijkskunde te gaan geven en in plaats daarvan meer aan Engels te gaan doen. Dat zou leiden tot een enorme afname van de vraag naar aardrijkskundedocenten en een enorme toename naar de vraag naar leraren Engels. Omdat het niet voor de hand ligt dat de aardrijkskundedocenten worden omgeschoold tot leraar Engels, heeft dat een enorme schok op de arbeidsmarkt tot gevolg. Door de consequenties die aanpassingen in het curriculum hebben, valt te verwachten dat er veel weerstand zal ontstaan. Als het dus al lukt om dergelijke veranderingen door te voeren, kan het niet anders dan geleidelijk. Sommige scholen zouden eerder moeten starten dan andere. Ook moet er rekening worden gehouden met de mogelijkheid tot eventueel terugdraaien van de hervorming.

Deze en andere afwegingen bij het ontwerp van een toekomstbestendig curriculum staan centraal in de discussie die momenteel gevoerd wordt hierover tussen mensen van het platform2032 en het onderwijsveld. Aanstaande maandagavond praten we er met het Limburgse onderwijsveld over. Wij kijken uit naar deze dialoog.

Categorieën:Curriculum

Tagged as: ,

%d bloggers op de volgende wijze: